Het Haagse straatvoetbal team vertegenwoordigde Nederland op het vierde daklozen wereldkampioenschap straatvoetbal dat in Kaapstad plaatsvond afgelopen week. “Ik dacht dat ik verloren was maar door deze trip heb ik weer een stukje van mijn ego terug”, vertelt de Haagse thuisloze Jan Landman (41).
Het Zuid-Afrikaanse team staat klaar om de Hagenezen welkom te heten. “Het was een warm welkom”, vertelt Jan Landman. “We omhelsden elkaar en schudden handjes.” Na overweldigende aandacht van nationale en internationale media op het vliegveld van Kaapstad, stappen de mannen in de bus, op weg naar hun ‘thuis’, een van de drie schoolgebouwen waar gedurende het wereldkampioenschap alle teams in klaslokalen verblijven.
Trafalgar high school, een kwartier lopen van de Grand Parade, het centrale plein waar alle wedstrijden plaatsvinden, is omgebouwd tot het Homeless World Cup dorp. Elk team heeft een eigen lokaal toegewezen gekregen. Er liggen tien matrassen op de grond voor de acht spelers, de coach en de teammanager. “Het is niet zoals vorig jaar”, weet teammanager Alf Berende. “Het verblijf in Edinburgh, waar het derde wereldkampioenschap plaatsvond was veel luxer, daar deelde je maar met zijn tweeën een kamer en waren er meer faciliteiten. Maar Schotland is natuurlijk ook een rijker land.” De spelers kijken even twijfelachtig rond maar stellen dan vast dat ze meer dan tevreden zijn. “Wij komen van de straat en hebben niks te klagen. Ik vind het wel gezellig om met zijn allen op een kamer te slapen, mijn oude legertijd herinneringen komen weer naar boven”, vertelt Jan Landman.
In de kamer naast het Nederlandse team slaapt het team uit Oeganda. De Hagenezen maken gemakkelijk contact met ze en wisselen ervaringen uit terwijl ze sigaretjes roken op de veranda. “Veel voetbalteams komen uit oorlogslanden of komen uit een gebied waar onrust heerst. Een van de jongens uit Oeganda vertelde ons een verhaal over de rebellen die hem zijn broer hebben laten opeten. De tranen liepen over zijn wangen toen hij dat vertelde. Mijn problemen zijn daar een schijntje bij ook al heb ik het heel erg zwaar gehad en zag ik het leven meerdere malen niet meer zitten”, vertelt Jan Landman. Jan had een succesvol autoschade herstelbedrijf bedrijf in Hilversum totdat zijn compagnon geld verduisterde en hij zodanig in de financiële problemen raakte dat hij en zijn vrouw op straat belandden. “Dat kan iedereen gebeuren”, zegt hij stellig.
Een week voordat hij naar Kaapstad afreisde sliep hij nog in het Haagse bos. “Ik en mijn vrouw hebben na het faillissement een paar jaar in een keldertje in de Haveltestraat gewoond. Daarna zijn we opgevangen door de Kessler stichting op de Zamenhofstraat maar vanwege een conflict zijn we daar net voor mijn vertrek naar Kaapstad uitgezet.” Jan camoufleerde een tent in het Haagse bos zodat hij en zijn vrouw niet teveel op zouden vallen. “Je mag daar natuurlijk helemaal niet slapen. Ik ben er niet trots op maar soms is het leven zo. Mijn vrouw zit nu gelukkig weer veilig bij de Kessler stichting, en ik straks ook weer. Als alles goed gaat hebben we aan het einde van dit jaar ons eigen huisje.”
“Niemand in Nederland hoeft zoals hier echt op straat te slapen omdat er altijd instanties zijn om je te helpen”, vertelt Alex van den Boogaard. Toch overkwam het hem ook. “Ik sliep een paar maanden geleden nog op een ligbed op het strand van Scheveningen. Ik lag daar, in de hagel met mijn tassen en kon nergens heen. Ik hoefde niet echt meer te leven. Ik realiseerde me toen dat het echt niet goed met me ging, ik een schuld van 20.000 euro had en ik zwaar verslaafd was. Ik moest iets doen. Ik heb een telefoonboek gezocht en heb hulp gezocht. Nu heb ik een mooie zolderkamer bij de Kessler stichting waar ik begeleid woon en kreeg ik de kans om bij het straatvoetbal team te komen en naar Kaapstad af te reizen.”
Het team maakt, als het wedstrijdschema dat toelaat, kleine uitstapjes naar het strand, de krottenwijken, de Tafelberg en de markt. Op Greenmarket square kopen ze souvenirs voor het thuisfront. Alex concludeert dat hij eigenlijk niks voor zichzelf gekocht heeft als hij op de stoep zijn nieuwe aanwinsten bekijkt. “Misschien dat ik die onderzetters toch maar zelf houd. Hij heeft houten sleutelhangers in de vorm van een Afrikaans masker gekocht voor zijn vrienden en een armbandje van koeienbotten voor zijn zus.”
De meeste Haagse jongens weten goed te onderhandelen, Alex ziet daar het nut niet van in. “Je kunt wel proberen om het onderste uit de kan te halen maar zo zit ik gewoon niet in elkaar, de mensen hebben hier niks in vergelijking met ons. Ik denk dat ik wel 30 Euro heb uitgedeeld aan mensen op straat, verder geef ik mijn krukken weg die ik hier in het ziekenhuis kreeg nadat ik een knietje op mijn bovenbeen had gekregen, en laat ik mijn slaapzak hier voor iemand die deze echt nodig heeft.”
Een bezoek aan een van de krottenwijken rondom Kaapstad maakte een onuitwisbare indruk op Alex. “ De mensen daar koken maar drie keer per week, meer geld is er niet. Ik heb veel met de mensen daar gepraat en ze verteld dat ik er niet was om aapjes te kijken. Ik wil de mensen thuis laten weten hoe ze hier leven, wat echte armoede is. Als ik zie hoe ze daar wonen in die hutjes van golfplaten of in die stinkend hete containers denk ik, wat loop ik nou te zeiken in Nederland? De Zuid-Afrikaanse regering moet huizen gaan bouwen om dat probleem om te lossen, heel simpel. Ik vind het maar een hypocriete boel hier. Hoe kan er nou zo’n groot verschil zijn tussen arm en rijk ?” Hij wijst in de richting van de luxe wijk Camps Bay aan zee. “Daar leven de mensen in villa’s en twee kilometer verderop leven de mensen in krotten, ik kan daar niet bij.”
De jongens krijgen 20 Euro zakgeld per dag in Kaapstad, meer dan genoeg om sigaretten en souvenirs te kopen. In Nederland leeft Alex van 20 Euro per week omdat er beslag gelegd is op zijn uitkering. Hij ziet zichzelf niet als arm. “Ik kan mijn pakjes shag kopen en ik heb iedere dag te eten. Ik heb geaccepteerd dat ik niet veel heb en dat moet ook wel, anders blijf je met jezelf in de knoop zitten. Je leert om met weinig geld te leven.”
In hun oranje voetbal tenue’s lopen ze over de markt. Veel mensen spreken ze aan, willen een hand schudden of willen met ze op de foto. De jongens signeren voetballen en T-shirts rondom de Grand Parade. Vanwege hun spontaniteit en hun opvallende oranje voetbalshirts lijken het de helden van de stad. Alex ziet dat wel in perspectief. “Ik weet dat het leven straks weer gewoon is. Ik kan goed relativeren.” Ook voor Jan breken er straks weer gewone tijden aan. Een dag na terugkomst begint hij met zijn nieuwe baan als vliegtuigspuiter bij KLM. “Ik heb eindelijk mijn leven weer zo goed als op de rails. Toen ik in het voetbalteam kwam merkte ik dat ik weer kon presteren, daarvoor was ik een wrak en zag ik het leven niet positief in. Nu straal ik weer. Ik kan een hoop kwijt in het voetballen, en krijg een stuk van mijn ego weer terug. Ik heb zelfs gescoord hier.”
Het Haagse team is als 14de geëindigd. “We hebben 34 landen achter ons gelaten,” legt Alex uit. “Als je bekijkt met wat voor team wij hier zijn gekomen, hebben we het heel goed gedaan. Het lange wachten heeft ons genekt. Soms zaten we uren op de tribune in de brandende zon, te wachten totdat we weer konden spelen. Het is lastig om jezelf dan weer op te pompen voor een wedstrijd, we zijn maar simpele jongens.” Wachten nam een groot deel van hun tijd in Kaapstad in beslag. “Ik denk dat wij straks in Den Haag veel relaxter op de tram staan te wachten, een kwartiertje wachten is helemaal niks meer voor ons.”
“Ik zou hier wel kunnen wonen”, vertelt Alex als hij naar de Tafelberg staart. “We stonden gisteren bovenop de berg en dat was echt heel speciaal, de uitzichten zijn prachtig hier. De bergen en de witte stranden zijn heel bijzonder, dat hebben wij niet in Den Haag. En alle mensen zijn zo ontzettend vriendelijk”, vertelt hij enthousiast. Toch weet hij niet hoe lang hij het vol zou houden in Zuid-Afrika. “De tegenstellingen zijn zo verschrikkelijk groot in dit land, ik denk dat ik daar op den duur gek van zou worden. Je geeft hier zo je maandsalaris weg aan de mensen op straat.” Alex hoopt volgend jaar weer als glazenwasser aan de slag te gaan als hij klaar is met het dagprogramma dat hij volgt bij PsyQ. “Ik wil hier hoe dan ook terugkomen, ik weet alleen nog niet wanneer.”
Het team wacht geduldig op het busje dat ze terug naar het vliegveld brengt. Ze zijn helemaal kapot van een week voetballen en vanwege het eindfeest voor alle teams dat na de prijsuitreiking plaatsvond. De helft van de jongens van het Haagse team hebben hun trainingspak geruild met die van het Zuid-Afrikaanse voetbalteam. Anderen hebben trainingsjasjes van Afghanistan of Namibië verworven. Alex laat zijn shirt en jasje van het Afghaanse team zien. “Ik vind het heel speciaal dat die gasten hier zijn, vanwege de oorlog in hun land. Deze kledingstukken zijn een mooi aandenken”, zegt hij tevreden. “Al vergeet ik deze reis echt nooit meer van mijn leven.”







